Hoofdstuk 7: Bestuurlijke handelingsruimte en keuzes
Bestuurlijke handelingsruimte is geen vanzelfsprekendheid, maar het resultaat van expliciete keuzes over samenwerking, informatiepositie en zeggenschap. Dit hoofdstuk verkent welke afwegingen bestuurders kunnen maken voordat afhankelijkheden vastliggen.
De voorgaande hoofdstukken laten zien hoe data, modellen en digitale systemen in toenemende mate richtinggevend zijn voor publieke besluitvorming in Fryslân. Deze ontwikkeling beperkt bestuurlijke zeggenschap en regie wanneer expliciete keuzes uitblijven, maar opent ook ruimte voor gerichte regie door nu te handelen.
Dit hoofdstuk brengt die handelingsruimte in beeld in 41 actiepunten. Het biedt geen uitgewerkt beleidsprogramma, maar benoemt per domein waar bestuurders en volksvertegenwoordigers expliciete keuzes kunnen maken over de inzet van data, modellen en digitale systemen ten behoeve van de inwoners. De indeling sluit aan bij bestaande bestuurlijke verantwoordelijkheden en bij de manier waarop collegeakkoorden en uitvoeringsprogramma’s worden opgebouwd.
Hoofdvraag
Dit rapport reikt geen kant-en-klare oplossingen aan. Het stelt één centrale vraag aan politieke partijen en toekomstige bestuurders in Fryslân: Onder welke voorwaarden achten wij digitale afhankelijkheden bestuurlijk aanvaardbaar, en hoe borgen wij regie, continuïteit en democratische verantwoording voordat systemen en modellen deze ruimte definitief beperken?
Kernset bestuurlijke afspraken
Deze kernset bevat bestuurlijke afspraken die noodzakelijk zijn om zeggenschap, rechtvaardigheid en uitvoerbaarheid van beleid te behouden in een datagedreven samenleving. De afspraken richten zich niet op beleidsdoelen, maar op de voorwaarden waaronder beleid tot stand komt. Zij zijn toepasbaar binnen bestaande wettelijke kaders en budgetten.
1. Inkoop en aanbesteding van onderzoek en technologie
Het college legt vast dat bij inkoop en aanbesteding van onderzoek, data-analyse en digitale technologie expliciet wordt getoetst op transparantie van methodiek, herleidbaarheid van aannames en publieke zeggenschap over data. De veronderstelling dat technologie of analyses van buiten Europa per definitie veilig, neutraal of continu beschikbaar zijn, wordt niet langer als uitgangspunt gehanteerd. Europese rechtsbescherming en bestuurlijke controle gelden als randvoorwaarden.
2. Juridische borging van publieke data
Het college borgt dat data die door of namens de overheid worden verzameld, opgeslagen en verwerkt, onder heldere juridische eigendoms- en gebruiksrechten vallen. Systemen en infrastructuren met een hoge politieke of geopolitieke discontinuïteitsfactor worden vermeden. Continuïteit, toegang en publieke controle zijn leidend bij keuzes voor opslag en verwerking.
3. Scheiding tussen data van inwoners en data van de overheid
Het college hanteert een expliciete scheiding tussen gegevens over inwoners en gegevens van de overheid zelf. Inwoners behouden zeggenschap over hun persoonsgegevens; overheidsdata worden als publiek goed beheerd. Door deze scheiding expliciet te maken, wordt transparantie vergroot en wordt het vertrouwen in publieke besluitvorming versterkt.
4. Gebruik van AI in beleidsvoorbereiding en besluitvorming
Het college staat het gebruik van AI-toepassingen in beleidsvoorbereiding en besluitvorming uitsluitend toe wanneer inzicht bestaat in het ontwerp van het systeem, de gebruikte trainingsdata en de wijze waarop conclusies tot stand komen. AI ondersteunt bestuurlijke afweging, maar vervangt deze niet. Politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid blijft expliciet bij raad en college.
5. Beperking van datadeling met derden
Het college gaat terughoudend om met het delen van data met externe partijen voor onderzoek, benchmarking of analyse. Datadeling vindt alleen plaats wanneer een expliciet publiek doel is vastgesteld en wanneer afspraken zijn gemaakt over hergebruik, eigendom en regionale meerwaarde. Het uitgangspunt is dat publieke data niet structureel wegvloeien zonder bestuurlijke afweging.
6. Borging van brondata en afgeleide datasets
Bij aanbestedingen waarbij data worden verzameld of bewerkt, stelt het college als voorwaarde dat zowel brondata als afgeleide datasets beschikbaar blijven voor de publieke organisatie. Hiermee wordt voorkomen dat kennis, inzichten en beleidsrelevante data verdwijnen in gesloten systemen of exclusieve verdienmodellen van derden.
7. Gecoördineerde aanlevering aan nationale datacollecties
Het college zet in op gecoördineerde en afgestemde aanlevering van gemeentelijke data aan nationale datacollecties. Door gezamenlijke definities, kwaliteitsnormen en timing te hanteren, wordt de positie van gemeenten en van Fryslân als geheel versterkt in landelijke verdeel- en beleidsmodellen. Dit verkleint het risico op structurele nadeelposities.
8. Inbouwen van kritisch vermogen bij analyse en AI
Het college stimuleert waar passend het gebruik van meerdere analysemethoden of AI-systemen voor vergelijkbare beleidsvragen. Door uitkomsten te vergelijken en te bevragen, blijft kritisch vermogen onderdeel van het besluitvormingsproces en wordt afhankelijkheid van één systeem of aannameset voorkomen.
9. Toetsbaarheid en uitlegbaarheid van modellen
Het college legt vast dat gebruikte modellen, analysekaders en datatoepassingen uitlegbaar en toetsbaar moeten zijn voor bestuur en raad. Beleidskeuzes worden niet uitsluitend gelegitimeerd door technische complexiteit of externe expertise. Transparantie is een voorwaarde voor democratische controle en rechtsbescherming.
10. Structurele borging van data-ethiek en governance
Het college borgt dat data-ethiek, governance en juridische toetsing vaste onderdelen zijn van beleidsontwikkeling en uitvoering. Deze onderwerpen worden niet projectmatig behandeld, maar structureel meegenomen bij datagedreven toepassingen in alle beleidsdomeinen.
Bestuurlijke betekenis
De kernset in het kader vraagt geen nieuw beleidsdomein en geen structurele budgetuitbreiding. Zij vraagt expliciete kaderstelling over de instrumenten van beleid. Daarmee behouden raad en college zeggenschap over besluitvorming in een digitale samenleving, en blijft beleid uitvoerbaar, uitlegbaar en rechtvaardig voor inwoners van Fryslân.
De volgende actiepunten zijn bedoeld als handvatten voor bestuurlijke afweging en prioritering. Zij veronderstellen geen technische uitwerking en vragen geen fundamentele uitbreiding van middelen, maar maken zichtbaar waar kaderstelling nodig is om zeggenschap te behouden. Voor een indicatief financieel kader voor opname in collegeakkoorden, zie bijlage 1.
DOMEIN 1 – BESTUUR EN GOVERNANCE
Zeggenschap organiseren over de instrumenten van beleid. Bestuurlijke autonomie staat of valt met zeggenschap over de manier waarop besluiten worden voorbereid. In toenemende mate gebeurt dat via data, verdeelmodellen, benchmarks en digitale analyses. Dit domein bevat afspraken die borgen dat colleges en raden invloed houden op die voorbereidende laag, ook wanneer zij gebruikmaken van externe kennis en systemen.
ACTIEPUNT 1: Gemeenten leggen vast dat beleidsvoorbereiding niet uitsluitend mag steunen op externe modellen en analyses zonder regionale toetsing.
Veel beleidskeuzes worden voorbereid op basis van landelijke modellen, standaardanalyses of rapportages van externe partijen. Deze instrumenten zijn vaak technisch valide, maar bevatten aannames die niet vanzelf aansluiten bij de Friese context. Zonder expliciete toetsing verschuift de inhoudelijke afweging feitelijk buiten het lokale bestuur. Het college legt daarom vast dat bij majeure beleidskeuzes expliciet wordt gemaakt welke aannames, definities en wegingen zijn gebruikt. Daarbij wordt beoordeeld of deze aansluiten bij Friese demografie, schaal, afstand en maatschappelijke structuur. Dit voorkomt dat generieke logica automatisch leidend wordt. Voor deze toetsing maakt het college gebruik van bestaande publieke expertise binnen de Friese data-ecologie. Door analyses te laten spiegelen aan regionale kennis ontstaat bestuurlijke tegenspraak zonder politisering van techniek. Voor inwoners betekent dit dat besluiten beter uitlegbaar worden. Niet omdat ze eenvoudiger zijn, maar omdat zichtbaar wordt waarom bepaalde keuzes logisch worden geacht en welke alternatieven zijn overwogen.
ACTIEPUNT 2: Gemeenten spreken af dat definities en datastandaarden die worden gebruikt in beleid expliciet bestuurlijk worden vastgesteld.
Beleidsuitkomsten worden sterk beïnvloed door definities. Wat telt als werkloosheid, zorgvraag, energiearmoede of bereikbaarheid bepaalt hoe groot een probleem lijkt en welke middelen beschikbaar komen. Deze definities worden vaak impliciet overgenomen uit landelijke systemen. Het college legt vast dat kernbegrippen die financiële of maatschappelijke gevolgen hebben expliciet worden vastgesteld of bevestigd, voordat zij in beleid en uitvoering worden gebruikt. Daarmee wordt voorkomen dat definities ongemerkt worden geïmporteerd. Waar mogelijk worden definities afgestemd met andere Friese gemeenten, zodat gezamenlijke dataleveringen en analyses consistent zijn. Dit versterkt de regionale positie in landelijke verdeelmodellen en voorkomt onderlinge verschillen zonder beleidsinhoudelijke reden. Voor inwoners vergroot dit de rechtvaardigheid. Gelijke situaties worden gelijk behandeld en verschillen worden bewust gemotiveerd, in plaats van verklaard door technische definities buiten het zicht van de politiek.
ACTIEPUNT 3: Gemeenten leggen vast dat data die met publieke middelen worden verzameld, publiek beschikbaar blijven voor hergebruik.
Bij aanbestedingen, onderzoeken en digitale systemen worden grote hoeveelheden data gegenereerd. Te vaak verdwijnen deze data in gesloten rapportages of bij externe leveranciers, waardoor gemeenten later opnieuw moeten inkopen of afhankelijk worden van dezelfde partij. Het college stelt daarom als uitgangspunt dat brondata en afgeleide datasets die met publieke middelen tot stand komen, beschikbaar blijven voor de publieke organisatie. Dit geldt ook bij samenwerking met externe onderzoeks- of technologiepartijen. Door data te borgen binnen de publieke infrastructuur blijft kennis beschikbaar voor toekomstig beleid, gezamenlijke analyses en regionale vergelijking. Validatie en kwaliteitsbewaking vinden plaats via bestaande Friese publieke expertise. Voor inwoners betekent dit minder verspilling van publieke middelen en meer continuïteit in beleid. Inzichten verdwijnen niet bij wisseling van leverancier of project, maar blijven onderdeel van het publieke geheugen.
ACTIEPUNT 4: Gemeenten spreken af dat nationale dataleveringen gecoördineerd worden om structurele nadelen te voorkomen.
Alle gemeenten leveren wettelijk data aan nationale instanties, onder andere voor statistiek en verdeelmodellen. Wanneer dit ongecoördineerd gebeurt, met verschillende definities en kwaliteitsniveaus, verliest Fryslân als geheel positie in landelijke besluitvorming. Het college committeert zich aan afstemming over definities, timing en kwaliteitsborging van deze aanleveringen. Door gezamenlijk op te trekken ontstaat een consistenter regionaal profiel in landelijke datasets. Deze afstemming maakt gebruik van bestaande Friese kennis- en infrastructuurvoorzieningen, zonder dat individuele gemeenten autonomie verliezen. Het gaat om coördinatie, niet om overdracht van bevoegdheden. Voor inwoners vertaalt dit zich in een eerlijkere verdeling van middelen. Gemeenten worden minder vaak geconfronteerd met tekorten die voortkomen uit rekenmodellen die de regionale werkelijkheid onvoldoende weerspiegelen.
ACTIEPUNT 5: Gemeenten verankeren expliciet democratische toetsing van datagedreven besluitvorming.
Wanneer beleid mede wordt gebaseerd op data-analyses of algoritmische ondersteuning, blijft het college en de raad volledig verantwoordelijk voor de uitkomst. Toch ontbreekt vaak inzicht in hoe conclusies tot stand zijn gekomen. Het college legt vast dat bij datagedreven beleidsvoorbereiding altijd inzichtelijk wordt gemaakt hoe data zijn gebruikt, welke keuzes daarin zijn gemaakt en waar onzekerheden zitten. Technische complexiteit mag geen vervanging zijn van politieke afweging. Voor deze transparantie wordt aangesloten bij bestaande publieke kennisstructuren binnen Fryslân, zodat uitleg, toetsing en reflectie structureel beschikbaar zijn. Voor inwoners versterkt dit het vertrouwen in het bestuur. Besluiten zijn niet alleen rechtmatig, maar ook navolgbaar, bespreekbaar en corrigeerbaar.
DOMEIN 2 – SOCIAAL DOMEIN EN ZORG
Toegang, indicatie en ondersteuning uitlegbaar houden. In het sociaal domein bepalen data, rekenmodellen en digitale systemen steeds vaker wie toegang krijgt tot ondersteuning en onder welke voorwaarden. Het gaat hier vooral om indicatiestelling, jeugdhulp, Wmo, participatie, armoede en schuldhulpverlening. Juist omdat besluiten direct ingrijpen in het dagelijks leven, moet het proces uitlegbaar blijven en mogen modellen nooit stilzwijgend de norm worden.
De onderstaande actiepunten zijn zo geformuleerd dat zij afzonderlijk in een collegeprogramma kunnen worden opgenomen. Tegelijkertijd veronderstellen zij afstemming en kennisdeling binnen Fryslân, zodat gemeenten niet ieder voor zich hoeven te corrigeren wat in modellen en systemen structureel scheefgroeit.
ACTIEPUNT 6: Gemeenten leggen vast dat datamodellen in het sociaal domein expliciet worden getoetst aan Friese demografie en leefomstandigheden.
Veel verdeel- en voorspelmodellen in het sociaal domein zijn gebaseerd op landelijke gemiddelden. Deze houden onvoldoende rekening met vergrijzing, grotere afstanden tot voorzieningen, kleinere kernen en meertaligheid. Daardoor wordt zorgvraag structureel onderschat en komen middelen onder druk te staan. Het college borgt dat bij gebruik van dergelijke modellen expliciet wordt beoordeeld of regionale kenmerken voldoende zijn meegenomen. Indien dat niet het geval is, wordt dit bestuurlijk gewogen en zichtbaar gemaakt in besluitvorming en verantwoording. Deze toetsing vindt plaats met ondersteuning van publieke expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat gemeenten niet afhankelijk zijn van de partij die het oorspronkelijke model heeft ontwikkeld. Voor inwoners betekent dit dat hun situatie realistischer wordt meegenomen. Niet het gemiddelde huishouden, maar de Friese leefpraktijk vormt het uitgangspunt voor zorg en ondersteuning.
ACTIEPUNT 7: Gemeenten spreken af dat toegang tot zorg nooit uitsluitend mag worden bepaald door geautomatiseerde profilering.
In toenemende mate worden data en algoritmen gebruikt om risico’s te signaleren, zorgvraag te voorspellen of doelgroepen te selecteren. Deze toepassingen zijn efficiënt, maar brengen het risico met zich mee dat inwoners worden gereduceerd tot profiel of score. Het college legt vast dat digitale signalering in het sociaal domein altijd wordt gecombineerd met professionele beoordeling. Automatische uitkomsten zijn ondersteunend, maar nooit beslissend voor toegang tot zorg of ondersteuning. Bij de inrichting en evaluatie van deze systemen wordt gebruikgemaakt van regionale kennis over ethiek, uitlegbaarheid en bias. Daarmee blijft menselijke afweging structureel onderdeel van het proces. Voor inwoners is dit cruciaal. Zij worden niet beoordeeld op basis van onzichtbare criteria, maar kunnen rekenen op maatwerk en aanspreekbaarheid van de overheid.
ACTIEPUNT 8: Gemeenten borgen dat data over zorggebruik niet los worden geïnterpreteerd van bereikbaarheid en infrastructuur.
Zorgdata geven inzicht in gebruik en kosten, maar zeggen weinig over de vraag of zorg ook bereikbaar en toegankelijk is. In Fryslân spelen afstand, vervoer en spreiding van voorzieningen een grotere rol dan in stedelijke regio’s. Het college legt vast dat analyses van zorggebruik altijd worden gecombineerd met gegevens over bereikbaarheid, reistijd en lokale infrastructuur. Zonder deze samenhang ontstaat beleid dat op papier doelmatig is, maar in de praktijk knelt. Deze gecombineerde analyse wordt regionaal afgestemd, zodat vergelijkbaarheid ontstaat tussen gemeenten en gezamenlijke patronen zichtbaar worden. Validatie vindt plaats binnen bestaande Friese kennisstructuren. Voor inwoners betekent dit dat zorgbeleid beter aansluit bij hun dagelijkse realiteit. Niet alleen beschikbaarheid, maar ook haalbaarheid wordt meegewogen.
ACTIEPUNT 9: Gemeenten spreken af dat data-uitwisseling in het sociaal domein transparant en uitlegbaar wordt ingericht.
Inwoners hebben vaak weinig zicht op welke gegevens over hen worden gebruikt en hoe deze doorwerken in besluiten. Dit ondermijnt vertrouwen, zeker wanneer besluiten worden ervaren als onpersoonlijk of onrechtvaardig. Het college borgt dat bij datagedreven processen in het sociaal domein helder wordt gecommuniceerd welke gegevens worden gebruikt, met welk doel en op welke manier zij bijdragen aan besluitvorming. Dit geldt zowel intern als richting inwoners. Bij de inrichting van deze transparantie wordt aangesloten bij publieke expertise in Fryslân op het gebied van data-ethiek en rechtsbescherming, zodat uitlegbaarheid geen vrijblijvende belofte blijft. Voor inwoners versterkt dit hun positie. Zij begrijpen beter hoe besluiten tot stand komen en kunnen gerichter vragen stellen of bezwaar maken.
ACTIEPUNT 10: Gemeenten verankeren gezamenlijke leer- en reflectiemomenten over datagedreven zorgbeleid.
Datagedreven werken in het sociaal domein is geen statisch gegeven. Modellen, aannames en effecten veranderen voortdurend. Zonder gezamenlijke reflectie herhalen gemeenten dezelfde fouten of corrigeren zij pas wanneer schade zichtbaar wordt. Het college committeert zich aan periodieke gezamenlijke evaluatie van gebruikte data en analysekaders in het sociaal domein. Hierbij wordt expliciet gekeken naar ongewenste neveneffecten, regionale verschillen en uitsluiting. Deze reflectie wordt gefaciliteerd via bestaande Friese kennis- en datanetwerken, zodat ervaringen worden gedeeld en verbeteringen collectief kunnen worden doorgevoerd. Voor inwoners leidt dit tot beter beleid op de lange termijn. Problemen worden eerder herkend en bijgestuurd, voordat zij zich vertalen in ongelijkheid of verminderde zorgkwaliteit.
DOMEIN 3 – ENERGIE, DUURZAAMHEID EN LEEFOMGEVING
Zeggenschap over data als voorwaarde voor een rechtvaardige energietransitie. De energietransitie en het duurzaamheidsbeleid in Fryslân worden in hoge mate gestuurd door data, prognoses en rekenmodellen. Besluiten over netcapaciteit, opwek, opslag, ruimtelijke inpassing en prioritering zijn nauwelijks nog voorstelbaar zonder digitale onderbouwing.
Tegelijkertijd worden veel van deze onderbouwingen buiten Fryslân ontwikkeld. Dat maakt de transitie kwetsbaar voor scheefgroei tussen analyse en leefomgeving. Juist in een provincie waar energieproductie, ruimtegebruik en leefkwaliteit samenkomen, is bestuurlijke regie op deze datastromen cruciaal.
De onderstaande actiepunten zijn concreet geformuleerd voor opname in individuele collegeprogramma’s, maar zijn zodanig opgesteld dat zij gezamenlijk optrekken en kennisdeling binnen Fryslân stimuleren.
ACTIEPUNT 11: Gemeenten leggen vast dat beslissingen over netcapaciteit en energie-inpassing worden gebaseerd op regionaal gevalideerde data.
Capaciteitsbesluiten in het elektriciteitsnet zijn sterk afhankelijk van landelijke prognoses en scenario’s. Deze houden onvoldoende rekening met regionale opwek, seizoenspatronen en lokale piekbelasting. Hierdoor ontstaat het risico dat Fryslân wel produceert, maar onvoldoende ruimte krijgt voor eigen economische en maatschappelijke ontwikkeling. Het college borgt dat bij keuzes over netverzwaring, aansluiting en prioritering expliciet wordt gekeken naar regionale energieprofielen. Indien landelijke modellen tekortschieten, wordt dit bestuurlijk benoemd en gecorrigeerd. De validatie van deze gegevens vindt plaats met ondersteuning van publieke expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat gemeenten niet uitsluitend afhankelijk zijn van netbeheerders of externe adviespartijen. Voor inwoners betekent dit dat duurzame initiatieven niet vastlopen op ondoorzichtige rekensommen, maar dat lokale belangen zichtbaar en verdedigbaar blijven.
ACTIEPUNT 12: Gemeenten spreken af dat ruimtelijke energieclaims altijd worden getoetst op regionale baten en lasten.
Windparken, zonnevelden en infrastructuur leggen een groot beslag op de Friese leefomgeving. De onderbouwing van deze claims is vaak gebaseerd op nationale doelstellingen en modellen die vooral sturen op megawatts en CO2-reductie. Het college legt vast dat bij ruimtelijke besluitvorming expliciet inzichtelijk wordt gemaakt welke baten en lasten lokaal neerslaan. Niet alleen technisch rendement, maar ook landschappelijke impact, leefkwaliteit en lokale economische waarde worden meegenomen. Deze afweging wordt ondersteund door regionale analysecapaciteit, zodat gemeenten beschikken over eigen tegenwicht tegenover generieke doorrekeningen. Voor inwoners vergroot dit de rechtvaardigheid van de energietransitie. Zij zien niet alleen de lasten, maar ook de opbrengsten terug in hun eigen omgeving.
ACTIEPUNT 13: Gemeenten borgen dat energiearmoede wordt vastgesteld op basis van Friese leef- en klimaatomstandigheden.
Modellen voor energiearmoede zijn veelal landelijk ontwikkeld en houden onvoldoende rekening met regionale verschillen in woningtype, temperatuur en energiegebruik. In Fryslân leidt dit aantoonbaar tot onderschatting van de problematiek. Het college legt vast dat bij signalering en bestrijding van energiearmoede regionale correcties worden toegepast. Wanneer landelijke definities tekortschieten, wordt dit expliciet gemaakt in beleidskeuzes en richting het Rijk. Deze correcties worden onderbouwd met regionale data-analyse en gevalideerd binnen Friese kennisnetwerken, zodat zij bestuurlijk houdbaar en reproduceerbaar zijn. Voor inwoners betekent dit dat ondersteuning terechtkomt waar de nood het hoogst is, in plaats van waar het model het gemakkelijkst rekent.
ACTIEPUNT 14: Gemeenten spreken af dat duurzaamheidsdoelen niet los worden beoordeeld van uitvoerbaarheid in de Friese leefomgeving.
Duurzaamheidsdoelen worden vaak gemonitord via indicatoren en dashboards. Deze geven overzicht, maar missen soms aansluiting bij lokale omstandigheden zoals netcongestie, ruimtedruk en draagvlak. Het college borgt dat voortgangsmetingen altijd worden verbonden met uitvoerbaarheid en maatschappelijke effecten. Wanneer doelen op papier haalbaar zijn maar in de praktijk knellen, wordt dit bestuurlijk zichtbaar gemaakt. De beoordeling van deze samenhang vindt plaats met ondersteuning van regionale expertise, zodat cijfers niet los komen te staan van beleid en uitvoering. Voor inwoners zorgt dit voor realistisch beleid. Ambities blijven overeind, maar worden niet afgewenteld op buurten en dorpen zonder perspectief.
ACTIEPUNT 15: Gemeenten verankeren gezamenlijke monitoring van energie- en duurzaamheidsdata in Fryslân.
Energie- en milieudata worden nu versnipperd verzameld en geanalyseerd. Daardoor ontbreekt een samenhangend beeld van wat de energietransitie regionaal betekent en waar knelpunten zich opstapelen. Het college committeert zich aan gezamenlijke monitoring en duiding van energie- en duurzaamheidsdata. Door definities en meetmethoden af te stemmen, ontstaat een robuust regionaal overzicht dat bestuurlijk kan worden benut. Deze monitoring wordt uitgevoerd met gebruikmaking van bestaande Friese infrastructuur en kennis, zodat schaalvoordelen ontstaan zonder nieuwe bureaucratie. Voor inwoners betekent dit meer voorspelbaarheid en minder ad-hocbeleid. De energietransitie wordt zichtbaar gestuurd, niet alleen technisch maar ook maatschappelijk.
DOMEIN 4 – ECONOMIE EN REGIONALE WAARDECREATIE
Voorkomen dat Fryslân grondstof wordt in andermans verdienmodellen. De Friese economie levert een wezenlijke bijdrage aan Nederland en Europa via landbouw, energie, logistiek, toerisme en ruimte. Steeds vaker ontstaat de economische waarde van deze sectoren niet alleen in productie, maar in data, modellen en optimalisatie. Juist daar verschuift de zeggenschap.
Wanneer analyse, voorspelling en sturing buiten Fryslân plaatsvinden, vloeit economische meerwaarde weg terwijl de lasten lokaal blijven. Regionale welvaart vraagt daarom om regie op de datalaag van de economie.
De volgende actiepunten zijn bedoeld voor afzonderlijke collegeprogramma’s, maar zijn zo geformuleerd dat gezamenlijke uitvoering Fryslân als geheel economisch versterkt.
ACTIEPUNT 16: Gemeenten leggen vast dat economische beleidskeuzes worden onderbouwd met regionale data en niet uitsluitend met landelijke gemiddelden.
Economische analyses gebruiken vaak landelijke productiviteits- en groeimodellen. Sectoren die in Fryslân dominant zijn, zoals landbouw, energie en toerisme, worden daarin regelmatig als laagwaardig of weinig innovatief geclassificeerd. Dit beïnvloedt investeringsstromen, subsidies en rijksbeleid. Het college borgt dat bij economische beleidskeuzes expliciet gebruik wordt gemaakt van regionale data die recht doen aan Friese schaal, seizoenspatronen en ketenstructuren. Wanneer landelijke modellen tekortschieten, wordt dit benoemd en gecorrigeerd. De duiding van deze data gebeurt met ondersteuning van publieke expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat gemeenten beschikken over een eigen, gezaghebbend economisch verhaal. Voor inwoners en ondernemers betekent dit dat beleid beter aansluit bij de werkelijke Friese economie en niet bij een abstract landelijk gemiddelde.
ACTIEPUNT 17: Gemeenten spreken af dat economische data die in Fryslân worden gegenereerd ook regionaal beschikbaar blijven.
Veel economische data ontstaan in Fryslân, maar worden geanalyseerd en vermarkt door externe partijen. Denk aan data over mobiliteit, toerisme, landbouwproductie en energie. Gemeenten verliezen daarmee zicht op hun eigen economische dynamiek. Het college legt vast dat bij onderzoeken, pilots en samenwerkingen economische brondata en bewerkte datasets beschikbaar blijven voor publiek hergebruik binnen Fryslân. Dat geldt zowel voor gemeentelijke projecten als voor publiek-private samenwerkingen. De borging van deze beschikbaarheid wordt ondersteund door regionale infrastructuur en expertise, zodat data niet verdwijnen in gesloten commerciële omgevingen. Voor inwoners en ondernemers vergroot dit de kans dat kennis en innovatie ook lokaal renderen.
ACTIEPUNT 18: Gemeenten borgen dat arbeidsmarkt- en werkloosheidsanalyses regionaal worden geduid.
Arbeidsmarktbeleid wordt sterk gestuurd door statistieken over werkloosheid, participatie en bijstand. Deze cijfers houden onvoldoende rekening met seizoenswerk, pendel en regionale mobiliteit die in Fryslân structureel voorkomen. Het college legt vast dat arbeidsmarktdata altijd worden aangevuld met regionale interpretatie. Wanneer landelijke definities leiden tot een vertekend beeld, wordt dit expliciet meegenomen in beleidskeuzes en richting het Rijk. Deze regionale duiding wordt ondersteund door Friese kennis en analysecapaciteit, zodat gemeenten niet afhankelijk zijn van externe interpretaties. Voor inwoners voorkomt dit dat tijdelijke of seizoensgebonden arbeid onterecht wordt gezien als structurele kwetsbaarheid.
ACTIEPUNT 19: Gemeenten maken expliciet onderscheid tussen lokale economische waarde en externe opbrengst.
Economische groei wordt vaak gemeten in macro-indicatoren, terwijl de verdeling van opbrengsten buiten beeld blijft. In Fryslân bestaat het risico dat ruimte, arbeid en natuur lokaal worden ingezet, terwijl winst en zeggenschap elders landen. Het college legt vast dat bij economische projecten expliciet wordt gekeken waar waarde ontstaat en waar zij terechtkomt. Dit onderscheid wordt meegenomen in afwegingen over vergunningen, subsidies en samenwerking. De analyse hiervan wordt ondersteund door regionale expertise, zodat gemeenten beschikken over een realistisch beeld van economische effecten. Voor inwoners versterkt dit het gevoel dat economische ontwikkeling ook daadwerkelijk bijdraagt aan de eigen leefomgeving.
ACTIEPUNT 20: Gemeenten verankeren gezamenlijke economische monitoring op regionaal niveau.
Economische data worden nu versnipperd verzameld en gebruikt. Daardoor ontbreekt een samenhangend beeld van Friese economische ontwikkeling en worden gemeenten afzonderlijk kwetsbaar in onderhandelingen met hogere overheden. Het college committeert zich aan gezamenlijke monitoring van economische indicatoren binnen Fryslân. Door definities en analysekaders af te stemmen, ontstaat een consistent en bestuurlijk bruikbaar beeld. Deze monitoring maakt gebruik van bestaande Friese kennis en infrastructuur, zodat schaalvoordeel ontstaat zonder nieuwe uitvoeringsdruk. Voor inwoners en bedrijven zorgt dit voor stabieler en beter onderbouwd economisch beleid.
ACTIEPUNT 21: Gemeenten borgen dat digitale innovatie en AI bijdragen aan regionale economische versterking.
Digitale innovatie en AI worden vaak ingezet via externe platforms en leveranciers. Hierdoor ontstaat het risico dat kennis, data en opbrengsten weglekken uit de regio. Het college legt vast dat bij inzet van digitale innovaties expliciet wordt gekeken naar regionale kennisopbouw en economische spin-off. Waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij publieke expertise binnen Fryslân. Deze benadering verkleint geopolitieke en commerciële afhankelijkheden en vergroot regionale weerbaarheid. Voor inwoners en ondernemers betekent dit dat technologische vooruitgang niet abstract blijft, maar zichtbaar bijdraagt aan werkgelegenheid en economische veerkracht.
DOMEIN 5 – GEZONDHEID, ZORG EN DE MENSELIJKE MAAT
Regionale zorgstructuur en bereikbaarheid bestuurlijk borgen. De zorgketen in Fryslân staat onder druk door vergrijzing, grotere afstanden, personeelstekorten en verschuivende verantwoordelijkheden tussen gemeente, zorgverzekeraars en aanbieders. Tegelijkertijd sturen landelijke modellen en indicatoren steeds sterker op capaciteit, bereikbaarheid en kosten. Wanneer die sturing onvoldoende rekening houdt met regionale spreiding en infrastructuur, ontstaat beleid dat op papier logisch is maar in de praktijk leidt tot verlies van toegankelijkheid.
De onderstaande actiepunten zijn bedoeld om in collegeprogramma’s vast te leggen hoe zorgdata en analyses worden gebruikt, zodat toegankelijkheid, menselijkheid en rechtvaardigheid behouden blijven.
ACTIEPUNT 22: Gemeenten leggen vast dat zorgbeleid wordt gebaseerd op regionale zorgdata en niet uitsluitend op landelijke zorgmodellen.
Landelijke zorgmodellen gaan vaak uit van stedelijke dichtheid, korte afstanden en gemiddelde zorgvraag. In Fryslân zijn reistijden langer, is de bevolking ouder en zijn voorzieningen dunner gespreid. Wanneer deze verschillen niet worden meegenomen, leidt dit tot onderschatting van zorgbehoefte. Het college borgt dat bij beleidsvorming expliciet regionale zorgdata worden gebruikt en dat afwijkingen ten opzichte van landelijke aannames worden benoemd. Wanneer landelijke modellen tekortschieten, wordt dit bestuurlijk vastgelegd en richting zorgpartners geadresseerd. De validatie van deze data gebeurt met ondersteuning van publieke expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat gemeenten beschikken over een betrouwbaar en regionaal gedragen zorgbeeld. Voor inwoners betekent dit dat zorgbeleid beter aansluit bij hun leefwereld en bereikbaarheid.
ACTIEPUNT 23: Gemeenten zorgen dat afstand en bereikbaarheid expliciet worden meegenomen in zorgbesluitvorming.
Veel besluiten over zorgcapaciteit en voorzieningen worden genomen op basis van normtijden en gemiddelde bereikbaarheid. Deze normen zijn vaak ontwikkeld voor stedelijke regio’s en doen onvoldoende recht aan Friese afstanden. Het college legt vast dat reistijd, bereikbaarheid en beschikbaarheid expliciet worden meegenomen in analyses en afwegingen. Wanneer normen niet passen bij de Friese situatie, worden alternatieven uitgewerkt en onderbouwd. Deze onderbouwing vindt plaats met behulp van regionale analysecapaciteit, zodat besluiten niet uitsluitend leunen op externe aannames. Voor inwoners vergroot dit de kans op toegankelijke zorg, ook buiten de grotere kernen.
ACTIEPUNT 24: Gemeenten borgen transparantie over datagebruik in het sociaal domein.
In het sociaal domein worden steeds vaker risicoprofielen en voorspelmodellen gebruikt bij toekenning van ondersteuning. Voor inwoners is vaak onduidelijk welke gegevens worden gebruikt en hoe conclusies tot stand komen. Het college legt vast dat bij gebruik van data en modellen in zorg en ondersteuning transparantie richting inwoners een randvoorwaarde is. Besluiten moeten uitlegbaar zijn en ruimte laten voor menselijke beoordeling. De toetsing van gebruikte modellen gebeurt met ondersteuning van regionale expertise, zodat ethische en juridische afwegingen niet volledig extern worden bepaald. Voor inwoners versterkt dit vertrouwen en rechtszekerheid.
ACTIEPUNT 25: Gemeenten voorkomen dat zorgdata structureel wegvloeien naar externe partijen zonder regionale meerwaarde.
Zorgdata worden vaak gedeeld met landelijke instanties, onderzoeksbureaus en leveranciers. Verrijkte analyses en inzichten keren echter zelden terug naar gemeenten, terwijl zij wel verantwoordelijk blijven voor beleid en uitvoering. Het college legt vast dat bij datadeling in de zorg expliciet wordt afgewogen welke regionale meerwaarde dit oplevert. Waar mogelijk blijven data en analyses beschikbaar voor hergebruik binnen Fryslân. De borging hiervan gebeurt via bestaande Friese infrastructuur en kennis, zodat gemeenten gezamenlijk sterker staan. Voor inwoners draagt dit bij aan beter onderbouwd en samenhangend zorgbeleid.
ACTIEPUNT 26: Gemeenten verankeren de menselijke maat als toetsingscriterium bij datagedreven zorgbeleid.
Datagedreven werken kan efficiënt zijn, maar mag nooit leiden tot automatische besluitvorming zonder ruimte voor professionele en bestuurlijke afweging. Het college legt vast dat data en modellen ondersteunend zijn aan besluitvorming, en niet bepalend. In alle zorgprocessen blijft ruimte voor maatwerk, beoordeling en correctie. De toepassing van dit principe wordt periodiek geëvalueerd met behulp van regionale expertise, zodat leren en bijsturen mogelijk blijft. Voor inwoners betekent dit dat zij geen nummer worden in een systeem, maar als mens worden gezien.
ACTIEPUNT 27: Gemeenten stemmen regionaal af over zorgdata en analyses.
Zorgvraag en zorgaanbod stoppen niet bij gemeentegrenzen. Wanneer gemeenten afzonderlijk data verzamelen en interpreteren, ontstaat versnippering en een onvolledig beeld van regionale zorgopgaven. Het college committeert zich aan regionale afstemming van zorgdata, definities en analysekaders. Door gezamenlijk op te trekken ontstaat een realistischer en bestuurlijk sterker zorgbeeld voor Fryslân. Deze samenwerking maakt gebruik van bestaande Friese kennis en voorzieningen, zodat schaalvoordeel ontstaat zonder extra bureaucratie. Voor inwoners leidt dit tot beter afgestemde zorg en minder verschillen tussen gemeenten.
DOMEIN 6 – DIGITALE INFRASTRUCTUUR, TECHNOLOGIE EN DIGITALE WEERBAARHEID
Publieke dienstverlening en continuïteit in een tijd van geopolitieke discontinuïteit. Digitale infrastructuur is geen neutrale voorziening meer, maar een strategische randvoorwaarde voor bestuur, veiligheid en dienstverlening. Gemeenten zijn in toenemende mate afhankelijk van digitale systemen voor besluitvorming, uitvoering en communicatie met inwoners.
Tegelijkertijd worden veel van deze systemen geleverd, beheerd en doorontwikkeld buiten de publieke invloedssfeer. In een wereld waarin geopolitieke spanningen, afhankelijkheden en verstoringen structureel zijn geworden, raakt dit direct aan bestuurlijke verantwoordelijkheid.
Voor Fryslân geldt dit in versterkte mate. Lage bevolkingsdichtheid, grotere afstanden en een beperkte redundantie in infrastructuur maken de regio gevoeliger voor uitval en afhankelijkheid. Digitale keuzes die elders logisch lijken, kunnen hier grote maatschappelijke gevolgen hebben. De onderstaande actiepunten zijn bedoeld om in collegeprogramma’s vast te leggen hoe gemeenten grip houden op hun digitale fundament, zonder te vervallen in technische detaillering.
ACTIEPUNT 28: Gemeenten leggen vast dat digitale infrastructuur wordt beschouwd als een publiek strategisch belang.
Digitale infrastructuur bepaalt waar data worden opgeslagen, wie toegang heeft en onder welk juridisch regime systemen vallen. Deze keuzes worden vaak operationeel gemaakt, terwijl zij grote bestuurlijke gevolgen hebben. Het college spreekt expliciet uit dat keuzes over cloud, platforms en kernsystemen bestuurlijk worden gewogen op continuïteit, juridische houdbaarheid en geopolitieke risico’s. Efficiëntie is daarbij niet het enige criterium. De beoordeling van deze risico’s gebeurt met ondersteuning van onafhankelijke publieke expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat gemeenten niet uitsluitend varen op leveranciersinformatie. Voor inwoners betekent dit dat digitale dienstverlening betrouwbaar blijft, ook bij verstoringen of crises.
ACTIEPUNT 29: Gemeenten beperken afhankelijkheid van leveranciers met een hoge geopolitieke discontinuïteitsfactor.
Veel digitale diensten zijn afhankelijk van aanbieders die onder buiten-Europees recht vallen of sterk verweven zijn met internationale machtsblokken. Dit vergroot risico’s op het gebied van continuïteit, toegang en rechtsbescherming. Het college legt vast dat bij keuzes voor digitale systemen expliciet wordt gekeken naar juridische jurisdictie, eigendomsstructuren en afhankelijkheden. Systemen met een hoge discontinuïteitsfactor worden alleen ingezet na expliciete bestuurlijke afweging. Deze afweging wordt onderbouwd met regionale en Europese expertise, zodat gemeenten gezamenlijk consistent handelen. Voor inwoners verkleint dit de kans dat publieke diensten plotseling wegvallen of veranderen buiten democratische invloed.
ACTIEPUNT 30: Gemeenten borgen publieke zeggenschap over data die in digitale systemen worden gegenereerd.
Digitale systemen genereren voortdurend data over beleid, uitvoering en gebruik. Wanneer deze data feitelijk eigendom worden van leveranciers, verliest de overheid kennis en regie. Het college legt vast dat bij inzet van digitale technologie altijd wordt geborgd dat brondata en afgeleide datasets beschikbaar blijven voor de publieke organisatie. Data zijn geen bijproduct, maar een publiek goed. De praktische borging hiervan gebeurt via bestaande Friese infrastructuur en afspraken, zodat gemeenten hierin niet individueel hoeven te onderhandelen. Voor inwoners betekent dit dat hun leefomgeving niet wordt gestuurd door gesloten systemen zonder publieke controle.
ACTIEPUNT 31: Gemeenten organiseren digitale weerbaarheid als regionale opgave.
Digitale verstoringen houden zich niet aan gemeentegrenzen. Cyberincidenten, uitval van systemen of storingen in infrastructuur hebben vaak regionale impact. Het college committeert zich aan regionale samenwerking op het gebied van digitale weerbaarheid, continuïteitsplanning en herstelvermogen. Dit omvat gezamenlijke scenario’s, afspraken en kennisdeling. Deze samenwerking maakt gebruik van bestaande Friese netwerken en expertise, zodat schaal wordt benut zonder centralisatie van uitvoering. Voor inwoners vergroot dit de zekerheid dat essentiële diensten blijven functioneren, ook bij digitale incidenten.
ACTIEPUNT 32: Gemeenten eisen transparantie over werking en afhankelijkheden van kernsystemen.
Veel kernsystemen zijn technisch complex en functioneren als ‘black box’. Dit belemmert bestuurlijke controle en verantwoording. Het college legt vast dat bij kernsystemen inzichtelijk moet zijn hoe data worden verwerkt, welke afhankelijkheden bestaan en waar risico’s liggen. Onverklaarbare complexiteit is geen acceptabele legitimatie. De toetsing van deze transparantie gebeurt met ondersteuning van publieke expertise in de Friese data-ecologie, zodat controle geen papieren exercitie wordt. Voor inwoners draagt dit bij aan vertrouwen in digitale overheidssystemen.
ACTIEPUNT 33: Gemeenten koppelen digitalisering expliciet aan publieke waarden en rechtsstatelijkheid.
Digitalisering wordt vaak benaderd als efficiëntievraagstuk, terwijl het in werkelijkheid publieke waarden raakt zoals gelijkheid, privacy en toegankelijkheid. Het college legt vast dat digitale keuzes worden getoetst aan publieke waarden en rechtsstatelijke beginselen, en niet uitsluitend aan kosten en functionaliteit. Deze toetsing wordt structureel ingebed en ondersteund door regionale kennis, zodat ethiek geen sluitpost is maar een vast onderdeel van besluitvorming. Voor inwoners betekent dit dat technologie de samenleving dient, en niet andersom.
ACTIEPUNT 34: Gemeenten stemmen digitale keuzes regionaal af om versnippering te voorkomen.
Wanneer gemeenten afzonderlijk digitale oplossingen kiezen, ontstaat versnippering, hogere kosten en verminderde onderhandelingskracht. Het college spreekt uit dat digitale keuzes waar mogelijk regionaal worden afgestemd, met ruimte voor lokale invulling maar met gedeelde uitgangspunten. Deze afstemming sluit aan bij bestaande Friese samenwerkingsstructuren, waardoor schaalvoordeel ontstaat zonder verlies van autonomie. Voor inwoners resulteert dit in consistentere en betrouwbaardere digitale dienstverlening.
DOMEIN 7 – FRIESE TAAL, CULTUUR EN DIGITALE INCLUSIE
Zeggenschap over identiteit, toegankelijkheid en publieke waarden. Digitalisering is niet alleen een technische of bestuurlijke ontwikkeling, maar ook een culturele. Digitale systemen bepalen steeds vaker in welke taal mensen worden aangesproken, welke vormen van communicatie beschikbaar zijn en wie daadwerkelijk toegang heeft tot publieke dienstverlening. Wat niet is ingebed in data, software en algoritmen, verdwijnt geruisloos uit de praktijk. Voor Fryslân, als erkend taalgebied met een sterke culturele identiteit, raakt dit direct aan democratische inclusie en gelijkwaardigheid.
De Friese taal en cultuur zijn juridisch en bestuurlijk geborgd, maar digitaal vaak impliciet afwezig. Dat is zelden het gevolg van bewuste keuzes, maar van standaardisatie, schaalvoordelen en ontwerpbeslissingen elders. Zonder expliciete kaderstelling ontstaat een digitale werkelijkheid waarin Fries niet voorkomt, niet wordt herkend en niet wordt ondersteund. Dat heeft gevolgen voor bereikbaarheid van de overheid, vertrouwen van inwoners en de overdraagbaarheid van cultuur naar volgende generaties.
ACTIEPUNT 35: Gemeenten leggen vast dat digitale dienstverlening ook in het Fries toegankelijk is waar dat maatschappelijk relevant is.
Digitale kanalen zijn voor veel inwoners het primaire contact met de overheid. Wanneer deze uitsluitend Nederlandstalig zijn, ontstaat een drempel voor inwoners die zich primair in het Fries uitdrukken. Het college spreekt uit dat digitale dienstverlening, informatie en interactie waar passend ook in het Fries beschikbaar zijn. Dit geldt met name voor basisinformatie, publiekscommunicatie en voorzieningen met grote maatschappelijke reikwijdte. De praktische invulling hiervan wordt ondersteund door bestaande Friese kennis en infrastructuur, zodat kwaliteit en consistentie zijn geborgd. Voor inwoners betekent dit erkenning van hun taal in het dagelijks contact met de overheid.
ACTIEPUNT 36: Gemeenten borgen dat Friese taal en context worden meegenomen in data en AI-toepassingen.
AI-systemen en datamodellen worden vaak getraind op dominante talen en culturele contexten. Wat daarbuiten valt, wordt slecht herkend of genegeerd. Het college legt vast dat bij inzet van AI en datagedreven toepassingen expliciet wordt gekeken of Friese taal, namen en context worden meegenomen. Systemen die structureel uitsluiten, worden niet zonder meer ingezet. De validatie hiervan gebeurt met regionale expertise binnen de Friese data-ecologie, zodat taal en cultuur niet afhankelijk zijn van commerciële standaarden. Voor inwoners voorkomt dit digitale uitsluiting en misinterpretatie.
ACTIEPUNT 37: Gemeenten erkennen digitale inclusie als onderdeel van culturele en sociale rechtvaardigheid.
Digitale vaardigheden, toegang en herkenning zijn ongelijk verdeeld. Ouderen, laaggeletterden en Friestaligen kunnen sneller buiten beeld raken wanneer digitalisering eenzijdig wordt vormgegeven. Het college verbindt digitale inclusie expliciet aan bestaand beleid voor cultuur, participatie en welzijn. Digitalisering wordt daarmee geen losstaand ICT-thema, maar een sociaal vraagstuk. De uitvoering wordt ondersteund door regionale kennis en samenwerking, zodat inclusie niet versnipperd wordt aangepakt. Voor inwoners vergroot dit de mogelijkheid om volwaardig mee te blijven doen.
ACTIEPUNT 38: Gemeenten voorkomen dat culturele data en erfgoed verdwijnen in gesloten digitale systemen.
Culturele data, archieven en digitale collecties vormen een belangrijk onderdeel van de Friese identiteit. Wanneer deze worden ondergebracht in gesloten platforms, verdwijnt publieke zeggenschap. Het college legt vast dat digitale cultuur- en erfgoedprojecten publieke toegang, hergebruik en duurzaamheid als uitgangspunt hanteren. Data blijven beschikbaar voor samenleving en onderwijs. De borging hiervan gebeurt via publieke en regionale infrastructuur, zodat cultureel erfgoed niet afhankelijk wordt van tijdelijke projecten. Voor inwoners betekent dit dat Friese cultuur digitaal vindbaar en overdraagbaar blijft.
ACTIEPUNT 39: Gemeenten wegen culturele impact expliciet mee bij digitale keuzes.
Digitale systemen zijn nooit cultureel neutraal. Keuzes in ontwerp, taal en interactie sturen gedrag en beleving. Het college spreekt uit dat bij belangrijke digitale keuzes ook de impact op taal, cultuur en identiteit wordt meegewogen. Dit gebeurt expliciet en niet impliciet via technische eisen. Deze weging wordt ondersteund door regionale expertise, zodat culturele belangen volwaardig onderdeel zijn van besluitvorming. Voor inwoners versterkt dit het gevoel dat digitalisering niet vervreemdend, maar verbindend werkt.
ACTIEPUNT 40: Gemeenten benutten digitalisering actief voor versterking van Friese taal en cultuur.
Digitalisering biedt niet alleen risico’s, maar ook kansen voor zichtbaarheid, onderwijs en participatie. Deze kansen worden vaak onderbenut. Het college legt vast dat digitale middelen ook worden ingezet om Friese taal en cultuur te versterken, bijvoorbeeld in onderwijs, communicatie en publieksdiensten. De ontwikkeling hiervan sluit aan bij bestaande Friese netwerken en kennis, zodat schaal en kwaliteit worden gecombineerd. Voor inwoners draagt dit bij aan trots, herkenning en continuïteit van de Friese identiteit.
ACTIEPUNT 41: Gemeenten stemmen hun digitale taal- en cultuurbeleid regionaal af.
Wanneer gemeenten afzonderlijk keuzes maken, ontstaat versnippering en kwaliteitsverlies. Taal en cultuur vragen om samenhang. Het college committeert zich aan regionale afstemming van digitale taal- en cultuurafspraken, met ruimte voor lokale accenten maar met gedeelde uitgangspunten. Deze afstemming versterkt de positie van Fryslân als erkend taalgebied binnen Nederland en Europa. Voor inwoners zorgt dit voor herkenbare en consistente digitale omgang met hun taal en cultuur.